Tot en met 31 december 2026 mag je je teruggeleverde zonnestroom salderen: elke kWh die je teruglevert, streep je 1-op-1 weg tegen een kWh die je later afneemt — tegen je volle stroomtarief (inclusief belasting). Je overschot is dan net zoveel waard als wat je voor stroom betaalt.
Per 1 januari 2027 stopt dat in één keer — geen geleidelijke afbouw. Voor je overschot krijg je dan alleen nog een terugleververgoeding van je leverancier. Die ligt fors lager dan je afnametarief, en dáár zit het verlies.
De wet garandeert t/m 2030 minimaal 50% van het kale leveringstarief (≈ €0,055/kWh). Daarna is er geen wettelijke ondergrens meer.
Vereenvoudigd model: je overschot is — kWh/jaar. Onder saldering wordt dat weggestreept tegen je afnametarief; vanaf 2027 krijg je er de terugleververgoeding voor. (Aanname: je jaarverbruik is groter dan je overschot, dus alles is salderbaar.)
De wet zegt: minimaal 50% van het kale leveringstarief (≈ €0,055/kWh). Maar leveranciers mogen apart terugleverkosten rekenen, die ze ermee verrekenen. Wat de meeste huishoudens er netto aan overhouden:
| Scenario | Netto / kWh | Jouw overschot |
|---|
Cijfers o.b.v. Nederlandse leverancier-vergelijkingen, juni 2026. Vaste contracten met terugleverkosten houden vaak onder 1 cent over, soms negatief (een bekend voorbeeld: −7,43 ct/kWh). Alleen dynamische contracten zónder terugleverkosten geven netto 5–7 ct/kWh.
Het terugkerende patroon: een teruggeleverde kWh wordt straks bijna niets waard, terwijl een kWh die je zelf gebruikt nog steeds je volle afnametarief bespaart. Alles draait dus om je overschot kleiner maken of slimmer benutten.