Spraakaudiometrie lezen

Een toonaudiogram meet de zachtste piep die je nog net hoort. Daaruit volgt niet wat je van een zin overhoudt. Deze pagina rekent uit hoeveel van de spraak boven jouw drempel uitkomt, legt uit wat er in de audiologiekamer achter elkaar wordt gemeten, en helpt je de kloof lezen tussen wat je audiogram belooft en wat je test daadwerkelijk oplevert.

Rekent volledig in je browser. Er gaat niets naar een server; wat je invult blijft op dit toestel staan.

Deel 1 — Hoeveel van de spraak komt boven je drempel uit

Niet elke toon draagt evenveel spraak

Spraak is geen enkele toon maar een spectrum, en dat spectrum is oneerlijk verdeeld. De klinkers zitten laag en zijn luid; ze dragen weinig informatie, want maan, baan en gaan hebben dezelfde klinker. De medeklinkers die het verschil maken — de s, f, t, k, p — zitten hoog en zijn zacht. Precies die twee eigenschappen, hoog en zacht, maken ze als eerste onhoorbaar bij vrijwel elk gehoorverlies.

Vul je drempels in en de rekenaar hieronder legt het gemiddelde spraakspectrum over je audiogram heen. Wat eruit rolt is de audibiliteit: het aandeel van de spraakinformatie dat op dit spraakniveau boven je drempel uitkomt.

Je drempels in dB HL

Overnemen van je audiogram, luchtgeleiding. Geen respons? Vul de hoogste waarde in die is geprobeerd (bijvoorbeeld 120).

Rechts (rood, ○)

Links (blauw, ✕)

Spraakniveau 65 dB SPL

Normale conversatiestem op ongeveer een meter afstand.

Audibiliteit beter oor
van de spraakinformatie is hoorbaar
Per oor
R
L
Bij luisteren met twee oren telt in de praktijk vooral het betere oor per frequentie.

Je audiogram met de spraakbanaan

spraakspectrum (30 dB bereik) hoorbaar deel rechts links

De oranje band is waar spraak zit: de middenlijn is het gemiddelde spectrum, de randen liggen 15 dB erboven en eronder, want spraak schommelt voortdurend in luidheid. Groen is het deel van die band dat boven je drempel uitkomt — voor elke frequentie het beste van je twee oren.

Waar je verlies je het duurst komt te staan

Elke frequentieband draagt een vast aandeel van de spraakinformatie. Groen is wat je daarvan binnenkrijgt, gearceerd wat je mist.

Opvallend in die verdeling: 250 Hz draagt maar een paar procent van de spraakinformatie en 2000 Hz ruim een kwart. Een verlies dat in de lage tonen begint kost je aanvankelijk weinig verstaan — een verlies dat bij 2 en 4 kHz begint kost je meteen veel, ook als het audiogram er verder rustig uitziet.

Wat dit getal wél en niet zegt

Wel: audibiliteit is een plafond. Spraakinformatie die onder je drempel blijft, kan je hersenen niet gebruiken — geen aandacht, context of ervaring haalt terug wat het oor niet doorgeeft.

Niet: het is geen voorspelling van je score. Twee mensen met dezelfde audibiliteit kunnen ver uiteenlopen in wat ze verstaan, want boven de drempel gaat er nog van alles mis: vervorming in het slakkenhuis, verlies van synapsen naar de gehoorzenuw, een gehoorzenuw die het tempo niet houdt. Dat verschil tussen plafond en werkelijkheid is precies wat deel 3 probeert af te lezen.

Het rekenmodel. Vereenvoudigde octaafbandmethode: per band wordt het hoorbare deel van het 30 dB brede spraakbereik bepaald en gewogen met het belang van die band voor spraak. De gewichten volgen de gangbare octaafbandwaarden voor gemiddelde spraak zekerheid hoog. Het spraakspectrum omgerekend naar dB HL, de omrekening van spraakniveaus tussen dB HL en dB SPL (afgerond op 20 dB) en de aanname dat luider spreken het hele spectrum gelijk optilt zijn benaderingen zekerheid middel — in werkelijkheid kantelt het spectrum bij luidere stem naar de hoge tonen. Ruis, nagalm en gehoortoestellen zitten niet in het model.

Deel 2 — Wat er in de meetkamer achter elkaar gebeurt

Een audiologisch onderzoek is niet één meting maar een reeks, en ze bouwen op elkaar voort. Elke stap kan onderling tegenstrijdig uitvallen, en juist die tegenstrijdigheid is diagnostische informatie.

1

Toonaudiometrie — lucht en been

Je drukt op een knop bij de zachtste piep die je nog hoort, per frequentie en per oor. Eerst via een koptelefoon (luchtgeleiding), daarna via een trilblokje op het bot achter je oor (beengeleiding), dat het middenoor overslaat. Zit er een gat tussen die twee, dan is er iets in het midden- of buitenoor aan de hand; lopen ze gelijk op, dan zit het verlies in het slakkenhuis of daarachter.

De uitdraai vat je drempels samen in een gemiddelde. In Nederlandse rapporten kom je vaak twee indices tegen: Lu, het spraakgemiddelde over 500, 1000 en 2000 Hz, en LuH, het hoge gemiddelde over 1000, 2000 en 4000 Hz. Elders heet dat gewoon PTA, maar dan soms met andere frequenties erin.

Let op: als je metingen over de jaren wilt vergelijken, moet je weten welke frequenties in het gemiddelde zitten. Twee formulieren die allebei "PTA" printen kunnen verschillende dingen berekenen, en dan zie je een sprong die er niet is.
2

Spraakdrempel — het 50%-punt

Nu geen piepjes maar woorden, steeds zachter aangeboden, tot je er ongeveer de helft van goed hebt. Dat niveau heet de spraakdrempel of SRT. De meting heeft één belangrijke functie: ze is een controle op stap 1. De spraakdrempel hoort dicht bij het spraakgemiddelde te liggen, doorgaans binnen zo'n 6 tot 10 dB.

Loopt het ver uiteen, dan is dat meestal geen ziekte maar een meetsignaal: een steil aflopend audiogram waarbij het gemiddelde de spraak niet goed vertegenwoordigt, een taal- of woordenschatkwestie, of drempels die niet consistent zijn aangegeven.
3

Spraakverstaan in stilte — de curve, niet één getal

Hier worden woordenlijsten aangeboden op verschillende niveaus, en per niveau wordt geteld hoeveel je goed hebt. In Nederlandse klinieken zijn dat korte lijsten eenlettergrepige woorden van het type medeklinker-klinker-medeklinker (mak, wip, doos), en de score gaat meestal per foneem, niet per heel woord. Twee van de drie klanken goed levert dus 67% op, geen nul. Dat maakt de meting gevoeliger dan een alles-of-niets-telling.

Het resultaat is een curve die stijgt met het niveau tot ze een maximum bereikt: je maximale spraakverstaan. Dat maximum is het getal dat ertoe doet, niet de score op één willekeurig niveau. En bij een deel van de mensen daalt de curve daarna weer — luider maken maakt het dan slechter. Dat heet rollover.

Vraag door bij één percentage. "80% spraakverstaan" is pas informatie als erbij staat op welk niveau, in welke eenheid (fonemen of woorden) en of dat het maximum was.
4

Spraak in ruis — de meting die je dag voorspelt

Alle metingen hierboven gebeuren in een stille cabine, en die stilte bestaat buiten die cabine nergens. Spraak-in-ruis meet iets anders: hoeveel gunstiger het signaal moet zijn dan het achtergrondlawaai voordat je meekomt. De uitkomst is een signaal-ruisverhouding, niet een percentage.

Dit is de meting die het beste overeenkomt met waar mensen in het dagelijks leven over klagen — het verjaardagsfeest, het restaurant, de vergadering — en het is ook de meting waarop een normaal ogend audiogram het vaakst tekortschiet.

De vier metingen naast elkaar

MetingEenheidWaar het misgaat
Toonaudiometrie dB HL per frequentie Zegt niets over verstaan; vraagt volle medewerking en concentratie
Spraakdrempel dB, het 50%-punt Bij een steil audiogram slecht te voorspellen uit het gemiddelde
Spraak in stilte % correct, meestal per foneem Eén percentage zonder niveau erbij is betekenisloos
Spraak in ruis signaal-ruisverhouding in dB Wordt lang niet altijd gedaan, terwijl het de klacht het dichtst benadert
Deel 3 — De kloof tussen belofte en uitkomst

Drie controles op je eigen uitslag

Vul in wat er op je verslag staat. De drie checks hieronder vergelijken je metingen onderling: klopt de spraakdrempel met je drempels, haalt je spraakverstaan wat je audibiliteit toelaat, en gaat de curve omlaag als het luider wordt. Ze leveren geen diagnose op — ze wijzen aan wélke vraag je zou stellen.

Uit je verslag

Niveaus, in dB HL

De rechterkolom is optioneel — is de curve maar op één niveau gemeten, laat die dan leeg. De audibiliteit komt uit je drempels in deel 1. Let op de eenheid: spraakniveaus staan op een audiologisch verslag doorgaans in dB HL, en die schaal ligt zo'n 20 dB lager dan de dB SPL van de schuifregelaar in deel 1. Normale conversatie is ongeveer 45 dB HL. De rekenaar zet het voor je om.

Wat een onverklaarde kloof kan betekenen

Haalt je spraakverstaan bij lange na niet wat je audibiliteit toelaat, dan blijft er iets over dat niet met luidheid te repareren is. De gangbare verklaringen, van veel naar weinig voorkomend:

MogelijkheidWat het is
Vervorming in het slakkenhuisBeschadigde haarcellen geven niet alleen minder door, maar ook onzuiverder: de scherpe frequentie-afstemming verdwijnt en klanken lopen in elkaar over. Dit hoort bij vrijwel elk zintuiglijk verlies en neemt toe met de ernst ervan.
Verlies van synapsenDe verbindingen tussen haarcel en gehoorzenuw kunnen wegvallen terwijl de drempels normaal blijven. Het treft vooral het verstaan in rumoer en is op een gewoon audiogram onzichtbaar.
RetrocochleairHet probleem zit achter het slakkenhuis, in de zenuw of de banen daarboven. Zeldzaam, maar het is de reden dat rollover en een sterke asymmetrie serieus worden genomen: het is de bevinding waar een arts een beeldvormend onderzoek aan kan ophangen.
De meting zelfAndere woordenlijst, andere eenheid, een oefeneffect, een slechte dag. Voordat een kloof iets betekent, moet hij reproduceerbaar zijn.

Deze pagina rangschikt mogelijkheden, ze kiest er geen. Dat onderscheid hoort bij de audioloog of KNO-arts die de hele uitslag voor zich heeft.

Deel 4 — Van één meting naar een reeks

Een meting is pas waardevol als de volgende ermee te vergelijken is

Bij een aandoening die langzaam voortschrijdt is niet de losse uitslag interessant maar de helling: hoeveel dB per jaar. Die helling kun je alleen berekenen als oude metingen op dezelfde manier zijn vastgelegd als nieuwe. Vier dingen die je maar één keer kunt regelen — namelijk op het moment dat je in de meetkamer zit.

1

Vraag de waardetabel, niet alleen de grafiek

Een grafiek moet je later met de hand aflezen, en dat kost je zo'n 5 dB nauwkeurigheid per punt. De meetsoftware heeft de getallen; vraag om de tabel of om een afdruk waar ze op staan. Eén keer vragen scheelt je jaren later een schatting.

2

Noteer welke definitie het gemiddelde gebruikt

Zet erbij welke frequenties in het geprinte gemiddelde zitten. Reken indices later liever zelf terug uit de losse waarden, met één vaste definitie over alle metingen heen, dan dat je gemiddelden van verschillende formulieren naast elkaar legt.

3

Leg "geen respons" apart vast

Als een frequentie op het maximum van de apparatuur nog niets oplevert, is dat geen getal maar een ondergrens. Noteer dat het geen respons was én tot hoever is geprobeerd. Anders wordt zo'n punt later als een gewone meetwaarde gelezen, en dan lijkt een oor te verbeteren zodra er een apparaat wordt gebruikt dat verder gaat.

4

Weet wat de ruis is voordat je schrikt

Dezelfde persoon opnieuw meten geeft per frequentie makkelijk 5 dB verschil, en tussen verschillende apparatuur of onderzoekers loopt dat op tot zo'n 10 dB. Een enkel punt dat verschoven is, is dus meestal ruis. Een gemiddelde over drie frequenties is een stuk stabieler, en een trend over meerdere metingen is stabieler dan welk los punt ook.

Is dit verschil echt?

Twee metingen van hetzelfde punt of dezelfde index, met het aantal jaren ertussen.

Toen

Nu

Deze pagina is een leeshulp bij je eigen uitslag, geen medisch advies en geen diagnose. Rekenwerk gebeurt lokaal in je browser; ingevulde waarden blijven op dit toestel.

Verwant op deze site: objectieve gehoormetingen voor de metingen die géén medewerking vragen, audiogram-progressie voor een reeks over dertien jaar, en de gehoor-hub.