Een toonaudiogram meet de zachtste piep die je nog net hoort. Daaruit volgt niet wat je van een zin overhoudt. Deze pagina rekent uit hoeveel van de spraak boven jouw drempel uitkomt, legt uit wat er in de audiologiekamer achter elkaar wordt gemeten, en helpt je de kloof lezen tussen wat je audiogram belooft en wat je test daadwerkelijk oplevert.
Rekent volledig in je browser. Er gaat niets naar een server; wat je invult blijft op dit toestel staan.
Spraak is geen enkele toon maar een spectrum, en dat spectrum is oneerlijk verdeeld. De klinkers zitten laag en zijn luid; ze dragen weinig informatie, want maan, baan en gaan hebben dezelfde klinker. De medeklinkers die het verschil maken — de s, f, t, k, p — zitten hoog en zijn zacht. Precies die twee eigenschappen, hoog en zacht, maken ze als eerste onhoorbaar bij vrijwel elk gehoorverlies.
Vul je drempels in en de rekenaar hieronder legt het gemiddelde spraakspectrum over je audiogram heen. Wat eruit rolt is de audibiliteit: het aandeel van de spraakinformatie dat op dit spraakniveau boven je drempel uitkomt.
Overnemen van je audiogram, luchtgeleiding. Geen respons? Vul de hoogste waarde in die is geprobeerd (bijvoorbeeld 120).
Normale conversatiestem op ongeveer een meter afstand.
De oranje band is waar spraak zit: de middenlijn is het gemiddelde spectrum, de randen liggen 15 dB erboven en eronder, want spraak schommelt voortdurend in luidheid. Groen is het deel van die band dat boven je drempel uitkomt — voor elke frequentie het beste van je twee oren.
Elke frequentieband draagt een vast aandeel van de spraakinformatie. Groen is wat je daarvan binnenkrijgt, gearceerd wat je mist.
Opvallend in die verdeling: 250 Hz draagt maar een paar procent van de spraakinformatie en 2000 Hz ruim een kwart. Een verlies dat in de lage tonen begint kost je aanvankelijk weinig verstaan — een verlies dat bij 2 en 4 kHz begint kost je meteen veel, ook als het audiogram er verder rustig uitziet.
Wel: audibiliteit is een plafond. Spraakinformatie die onder je drempel blijft, kan je hersenen niet gebruiken — geen aandacht, context of ervaring haalt terug wat het oor niet doorgeeft.
Niet: het is geen voorspelling van je score. Twee mensen met dezelfde audibiliteit kunnen ver uiteenlopen in wat ze verstaan, want boven de drempel gaat er nog van alles mis: vervorming in het slakkenhuis, verlies van synapsen naar de gehoorzenuw, een gehoorzenuw die het tempo niet houdt. Dat verschil tussen plafond en werkelijkheid is precies wat deel 3 probeert af te lezen.
Het rekenmodel. Vereenvoudigde octaafbandmethode: per band wordt het hoorbare deel van het 30 dB brede spraakbereik bepaald en gewogen met het belang van die band voor spraak. De gewichten volgen de gangbare octaafbandwaarden voor gemiddelde spraak zekerheid hoog. Het spraakspectrum omgerekend naar dB HL, de omrekening van spraakniveaus tussen dB HL en dB SPL (afgerond op 20 dB) en de aanname dat luider spreken het hele spectrum gelijk optilt zijn benaderingen zekerheid middel — in werkelijkheid kantelt het spectrum bij luidere stem naar de hoge tonen. Ruis, nagalm en gehoortoestellen zitten niet in het model.
Een audiologisch onderzoek is niet één meting maar een reeks, en ze bouwen op elkaar voort. Elke stap kan onderling tegenstrijdig uitvallen, en juist die tegenstrijdigheid is diagnostische informatie.
Je drukt op een knop bij de zachtste piep die je nog hoort, per frequentie en per oor. Eerst via een koptelefoon (luchtgeleiding), daarna via een trilblokje op het bot achter je oor (beengeleiding), dat het middenoor overslaat. Zit er een gat tussen die twee, dan is er iets in het midden- of buitenoor aan de hand; lopen ze gelijk op, dan zit het verlies in het slakkenhuis of daarachter.
De uitdraai vat je drempels samen in een gemiddelde. In Nederlandse rapporten kom je vaak twee indices tegen: Lu, het spraakgemiddelde over 500, 1000 en 2000 Hz, en LuH, het hoge gemiddelde over 1000, 2000 en 4000 Hz. Elders heet dat gewoon PTA, maar dan soms met andere frequenties erin.
Nu geen piepjes maar woorden, steeds zachter aangeboden, tot je er ongeveer de helft van goed hebt. Dat niveau heet de spraakdrempel of SRT. De meting heeft één belangrijke functie: ze is een controle op stap 1. De spraakdrempel hoort dicht bij het spraakgemiddelde te liggen, doorgaans binnen zo'n 6 tot 10 dB.
Hier worden woordenlijsten aangeboden op verschillende niveaus, en per niveau wordt geteld hoeveel je goed hebt. In Nederlandse klinieken zijn dat korte lijsten eenlettergrepige woorden van het type medeklinker-klinker-medeklinker (mak, wip, doos), en de score gaat meestal per foneem, niet per heel woord. Twee van de drie klanken goed levert dus 67% op, geen nul. Dat maakt de meting gevoeliger dan een alles-of-niets-telling.
Het resultaat is een curve die stijgt met het niveau tot ze een maximum bereikt: je maximale spraakverstaan. Dat maximum is het getal dat ertoe doet, niet de score op één willekeurig niveau. En bij een deel van de mensen daalt de curve daarna weer — luider maken maakt het dan slechter. Dat heet rollover.
Alle metingen hierboven gebeuren in een stille cabine, en die stilte bestaat buiten die cabine nergens. Spraak-in-ruis meet iets anders: hoeveel gunstiger het signaal moet zijn dan het achtergrondlawaai voordat je meekomt. De uitkomst is een signaal-ruisverhouding, niet een percentage.
Dit is de meting die het beste overeenkomt met waar mensen in het dagelijks leven over klagen — het verjaardagsfeest, het restaurant, de vergadering — en het is ook de meting waarop een normaal ogend audiogram het vaakst tekortschiet.
| Meting | Eenheid | Waar het misgaat |
|---|---|---|
| Toonaudiometrie | dB HL per frequentie | Zegt niets over verstaan; vraagt volle medewerking en concentratie |
| Spraakdrempel | dB, het 50%-punt | Bij een steil audiogram slecht te voorspellen uit het gemiddelde |
| Spraak in stilte | % correct, meestal per foneem | Eén percentage zonder niveau erbij is betekenisloos |
| Spraak in ruis | signaal-ruisverhouding in dB | Wordt lang niet altijd gedaan, terwijl het de klacht het dichtst benadert |
Vul in wat er op je verslag staat. De drie checks hieronder vergelijken je metingen onderling: klopt de spraakdrempel met je drempels, haalt je spraakverstaan wat je audibiliteit toelaat, en gaat de curve omlaag als het luider wordt. Ze leveren geen diagnose op — ze wijzen aan wélke vraag je zou stellen.
De rechterkolom is optioneel — is de curve maar op één niveau gemeten, laat die dan leeg. De audibiliteit komt uit je drempels in deel 1. Let op de eenheid: spraakniveaus staan op een audiologisch verslag doorgaans in dB HL, en die schaal ligt zo'n 20 dB lager dan de dB SPL van de schuifregelaar in deel 1. Normale conversatie is ongeveer 45 dB HL. De rekenaar zet het voor je om.
Haalt je spraakverstaan bij lange na niet wat je audibiliteit toelaat, dan blijft er iets over dat niet met luidheid te repareren is. De gangbare verklaringen, van veel naar weinig voorkomend:
| Mogelijkheid | Wat het is |
|---|---|
| Vervorming in het slakkenhuis | Beschadigde haarcellen geven niet alleen minder door, maar ook onzuiverder: de scherpe frequentie-afstemming verdwijnt en klanken lopen in elkaar over. Dit hoort bij vrijwel elk zintuiglijk verlies en neemt toe met de ernst ervan. |
| Verlies van synapsen | De verbindingen tussen haarcel en gehoorzenuw kunnen wegvallen terwijl de drempels normaal blijven. Het treft vooral het verstaan in rumoer en is op een gewoon audiogram onzichtbaar. |
| Retrocochleair | Het probleem zit achter het slakkenhuis, in de zenuw of de banen daarboven. Zeldzaam, maar het is de reden dat rollover en een sterke asymmetrie serieus worden genomen: het is de bevinding waar een arts een beeldvormend onderzoek aan kan ophangen. |
| De meting zelf | Andere woordenlijst, andere eenheid, een oefeneffect, een slechte dag. Voordat een kloof iets betekent, moet hij reproduceerbaar zijn. |
Deze pagina rangschikt mogelijkheden, ze kiest er geen. Dat onderscheid hoort bij de audioloog of KNO-arts die de hele uitslag voor zich heeft.
Bij een aandoening die langzaam voortschrijdt is niet de losse uitslag interessant maar de helling: hoeveel dB per jaar. Die helling kun je alleen berekenen als oude metingen op dezelfde manier zijn vastgelegd als nieuwe. Vier dingen die je maar één keer kunt regelen — namelijk op het moment dat je in de meetkamer zit.
Een grafiek moet je later met de hand aflezen, en dat kost je zo'n 5 dB nauwkeurigheid per punt. De meetsoftware heeft de getallen; vraag om de tabel of om een afdruk waar ze op staan. Eén keer vragen scheelt je jaren later een schatting.
Zet erbij welke frequenties in het geprinte gemiddelde zitten. Reken indices later liever zelf terug uit de losse waarden, met één vaste definitie over alle metingen heen, dan dat je gemiddelden van verschillende formulieren naast elkaar legt.
Als een frequentie op het maximum van de apparatuur nog niets oplevert, is dat geen getal maar een ondergrens. Noteer dat het geen respons was én tot hoever is geprobeerd. Anders wordt zo'n punt later als een gewone meetwaarde gelezen, en dan lijkt een oor te verbeteren zodra er een apparaat wordt gebruikt dat verder gaat.
Dezelfde persoon opnieuw meten geeft per frequentie makkelijk 5 dB verschil, en tussen verschillende apparatuur of onderzoekers loopt dat op tot zo'n 10 dB. Een enkel punt dat verschoven is, is dus meestal ruis. Een gemiddelde over drie frequenties is een stuk stabieler, en een trend over meerdere metingen is stabieler dan welk los punt ook.
Twee metingen van hetzelfde punt of dezelfde index, met het aantal jaren ertussen.
Deze pagina is een leeshulp bij je eigen uitslag, geen medisch advies en geen diagnose. Rekenwerk gebeurt lokaal in je browser; ingevulde waarden blijven op dit toestel.
Verwant op deze site: objectieve gehoormetingen voor de metingen die géén medewerking vragen, audiogram-progressie voor een reeks over dertien jaar, en de gehoor-hub.