Natuurlijk beloop · MYO6 c.2416+5G>A · DFNA22

Elf audiogrammen, veertien jaar, één patiënt

Een dataset die niet achteraf te maken is. Hieronder staat wat er ligt, en de meetvraag die eruit volgt: hoe lang moet je doormeten voordat je kunt aantonen dat een therapie de achteruitgang remt?

De reeks

Spraak-gemiddelde per oor, gedefinieerd als (0,5 + 1 + 2 kHz)/3. Dit gemiddelde wordt door de meetsoftware zelf geprint en is dus niet afgelezen. De getrokken lijn is de kleinste-kwadraten-helling over alle negen metingen.

rechts links regressie

Wat één centrum laat zien dat vier centra samen verbergen

De reeks komt uit vier bronnen met verschillende apparatuur, en dat maakt de regressie over alles heen voorzichtig: rechts en links dB per jaar, waarbij links binnen de meetruis lijkt te vallen. Maar twee metingen in dezelfde kliniek, met dezelfde methode, bijna zeven jaar uiteen, laten iets anders zien: beide oren gaan daar met 0,72 dB per jaar achteruit. Dat is de schoonste vergelijking in de set en hij weerspreekt het beeld dat het betere oor stilstaat. Twee punten zijn geen trend, en de eerste van die twee leest opvallend gunstig, dus dit is een openstaande vraag en geen bevinding. Het illustreert wel waar de fout zit bij het optellen van metingen uit verschillende bronnen: variatie tussen apparatuur kan een echte helling maskeren.

Spraakverstaan: de maat die veel harder beweegt

Vier spraakaudiogrammen over veertien jaar, uit drie centra. Per aanbiedingsniveau het percentage correct verstane fonemen. De onderbroken lijn is een versterkte meting uit 2019, binauraal in het vrije veld met hoortoestellen; de rest is onversterkt, per oor.

Oor
verschuiving van het 50%-punt, links, over veertien jaar — hoe hard geluid moet zijn om je te bereiken
verandering van de maximaal haalbare score, links, over diezelfde veertien jaar

Hoorbaarheid staat vrijwel stil, verstaanbaarheid stort in. Dat is de handtekening van een groeiende distortiecomponent naast een nauwelijks bewegende attenuatiecomponent. Het onderscheid is klinisch beslissend: versterking compenseert alleen het eerste. Bij een gen dat werkt in de ribbonsynaps van de binnenste haarcel is precies dit het te verwachten beeld, en het verklaart waarom een audiogram dat al dertien jaar stabiel oogt toch samengaat met een verstaan dat merkbaar achteruitgaat.

De drie linker-metingen bereiken hun maximum bij hetzelfde niveau van 100 dB en zijn daardoor zuiver vergelijkbaar: 94% (2012) → 85% (2019) → 70% (2026), en de daling versnelt van 1,3 naar 2,2 procentpunt per jaar. Bij 33 fonemen per lijst is een verschil van 24 procentpunt goed voor p ≈ 0,008. Op twee meetpunten was ditzelfde verschil niet aantoonbaar; de teruggevonden metingen van 2012 maken het dat wel. De twee metingen van 2012 komen bovendien uit verschillende centra, zes weken uiteen, en reproduceren elkaar binnen twee procentpunt.

Er bestaat geen retroactieve meting. Bij een progressie-remmende therapie is het eindpunt geen drempel maar een helling, in dB per jaar tegen het verwachte natuurlijke beloop. Een reeks als deze is daarvoor het referentiekader, en hij is alleen te verkrijgen door dertien jaar te wachten.

De metingen

Drie klinische centra en één audicien-systeem, elf meetmomenten. De metingen van 14 en 25 januari 2019 liggen elf dagen uiteen, op andere apparatuur en door een andere onderzoeker: een onafhankelijke kruisvalidatie van het scharnierpunt in de reeks.

Het hoog-gemiddelde (1 + 2 + 4 kHz)/3 ontbreekt overal waar 4 kHz geen respons gaf bij maximale output. Dat is geen ontbrekende waarde maar een bevinding. In de klinische metingen geldt dat voor **beide oren al vanaf 2019**: daar werd tot 115 à 120 dB getest zonder respons. De audicien-metingen registreerden links tot 2022 nog wel drempels rond 110 tot 120 dB; op dat niveau is een respons niet altijd van trilling te onderscheiden, wat het verschil tussen beide bronnen verklaart.

Eén meting apart gemarkeerd, in plaats van gladgestreken. De meting van dec 2018 leest zowel het spraakgebied rechts als de hoge tonen links beter dan de metingen ervóór en erná (links hoog: 83 → 70 → 83). Op 8 augustus 2026 is dit meetmoment teruggelegd naast de bron-uitdraai, en de afwijking blijkt echt: het toestel drukte destijds zelf 70 af. Het is dus geen afleesfout maar werkelijke variatie tussen apparatuur en meetsessie, en 13 dB spreiding op een hoogfrequente index is aan de meetgrens niet ongewoon. Biologisch keert hoogfrequent haarcelverlies niet om, dus als tijdelijke verbetering moet dit punt niet gelezen worden. De trendlijn is robuust zonder dit punt; het blijft gemarkeerd omdat het de meeste spreiding van de reeks draagt.

Wanneer weet je of het werkt?

MYO6-cohorten verliezen 0,56 tot 0,57 dB per jaar, versnellend naar circa 1,07 na het veertigste levensjaar. Een therapie die de progressie volledig stopt levert over tien jaar dus ongeveer 10 dB verschil op met de geëxtrapoleerde lijn, en dat is precies de orde van grootte van de test-hertest-ruis op één frequentie. De rekenaar zoekt het eerste jaar waarin het hellingsverschil met 80% kans significant wordt.

Uitkomstmaat
Waartegen vergelijk je de gemeten helling?
doormeten vóór een volledig remmend effect aantoonbaar is
test-hertest-SD van de gekozen maat
kleinste aantoonbare hellingsverschil na tien jaar doormeten
Het omgekeerde geval kost bijna geen tijd. Bovenstaande jaren gelden alleen voor het aantonen van stilstand. Zou het gehoor daadwerkelijk vooruitgaan, dan is dat al na één meting tegen deze reeks zichtbaar, want spontane verbetering komt bij MYO6 niet voor. Eén herhaalmeting volstaat om regressie naar het gemiddelde uit te sluiten.

Rekenkern: standaardfout van een regressiehelling bij metingen die gelijkmatig over de looptijd liggen, SE = σ·√(12(N−1)/(N(N+1)))⁄T, met detectiedrempel 2,80·SE (80% power, tweezijdig 5%). T staat in de noemer en N alleen onder een wortel: langer doormeten helpt aanzienlijk harder dan vaker meten. Defaults uit Flamme 2014 (toonaudiometrie), Houben 2014 (Nederlandse matrixtest) en de MYO6-cohortdata. Twee beperkingen: hoe snel spraak-in-ruis achteruitgaat bij MYO6 is niet gemeten, dus die preset houdt dezelfde jaarlijkse achteruitgang aan als de toondrempel, en het model veronderstelt onafhankelijke meetfouten terwijl opeenvolgende metingen in de praktijk samenhangen via apparaat, onderzoeker en dagvorm.

Wat hieruit volgt

  1. Het spraakgebied is het therapeutisch venster, maar hoe langzaam het erodeert is een open vraag. Over alle bronnen heen komt links op dB per jaar, wat binnen de meetruis zou vallen. Binnen één kliniek meet dezelfde periode 0,72 dB per jaar. En de spraakmaat is beslissender: de maximale foneemscore links zakte van 94 procent in 2012 naar 70 in 2026, aantoonbaar en versnellend, terwijl het 50%-punt in diezelfde veertien jaar maar 5 dB opschoof. Het venster staat dus open op de drempel maar loopt leeg op de verstaanbaarheid. Boven 3 kHz is de bodem hoe dan ook bereikt en valt niets meer te redden.
  2. De reeks moet geprotocolleerd worden voortgezet, niet aangevuld met een nieuwe modaliteit. Wat hem bruikbaar houdt is saai: elf frequenties in plaats van zeven, een ruwe waardetabel in plaats van een grafiek, en geen-respons genoteerd als ≥X dB bij maximale output.
  3. Spraak-in-ruis verdient de hoogste prioriteit als toegevoegde maat. Vijf tot acht keer scherper dan het audiogram, en bij een gen dat in de ribbonsynaps werkt de plek waar een effect zich het eerst zou tonen, mogelijk zonder dat de drempel beweegt.