Logboek · MYO6 c.2416+5G>A
Terug naar het dossier

Logboek · open notebook

Wat ik dacht, op het moment dat ik het dacht

Het dossier op de hoofdpagina geeft de conclusies. Dit is de weg ernaartoe: elke aantekening voluit, zoals ze op het moment zelf is geschreven, nieuwste bovenaan. Inclusief de keren dat een eerdere aanname sneuvelde, want dat is precies wat je op een afgevlakte pagina niet meer terugziet.

Over dit logboek

Niets wordt hier achteraf herschreven. Klopt een aantekening niet meer, dan komt er een nieuwe bovenop die dat zegt.

De datum is de datum van de gebeurtenis waar de aantekening over gaat, niet altijd de dag waarop ik het opschreef. De volgorde is de volgorde waarin ik het noteerde. De labels mijlpaal en uit het veld stonden al in het oorspronkelijke logboek; alles zonder label staat hier als bevinding.

Deze pagina is de enige die vanzelf aangroeit. De thematische secties op de hoofdpagina zijn en blijven handwerk.

Ik zocht het Nederlandse Form 3926 en vond het — maar de route die wél bij mij past stond nergens in mijn dossier

In de Verenigde Staten kan een arts met één formulier een middel zonder handelsvergunning voor één patient aanvragen. Ik wilde weten hoe dat hier heet, en had in mijn eigen kaart staan dat het via de CCMO zou lopen. Dat is fout, en het is een nuttige fout, want hij verklaart waarom ik er niet verder kwam. Compassionate use en levering aan één patient staan in de Geneesmiddelenwet, niet in de wet op mensgebonden onderzoek. De beslissers zijn de IGJ en het CBG. Ik vroeg dus naar een loket dat voor deze vraag niet bestaat.

De echte tegenhanger van 3926 is de artsenverklaring, artikel 40 lid 3 sub c, met zes voorwaarden die alle zes moeten kloppen. Zelfde figuur: één arts, één patient, één middel, onder de persoonlijke verantwoordelijkheid van die arts. Het verschil is wie aanvraagt — daar de arts bij de FDA, hier de apotheek of de fabrikant bij de inspectie. Maximaal acht weken, gemiddeld rond de vier.

Maar de vondst zit ergens anders, en die stond nog in geen enkel stuk van mij. Artikel 40 lid 3 sub d, de ziekenhuisvrijstelling, beschrijft woord voor woord de situatie waar dit dossier naartoe werkt: bereid op bestelling, voor een bepaalde patient, op niet-routinematige basis, binnen dezelfde lidstaat in een ziekenhuis, onder de exclusieve professionele verantwoordelijkheid van een arts. Maximaal zes weken beoordelen, geldig voor een beperkt aantal behandelingen, met verplicht vooroverleg bij de inspectie vóór de aanvraag. Dat is geen theoretische route maar een formulier dat bestaat.

Twee dingen die ik er niet uit mag lezen. De vrijstelling vervangt de ggo-vergunning niet: zit het in een AAV, dan blijft die tweede vergunning staan, met Staatscourant en openbare inspraak, en die klok is de langste van de twee. En élk instrument hierboven veronderstelt dat het middel érgens al bestaat of in ontwikkeling is. Voor mijn gen bestaat het niet, en compassionate use eist bovendien een cohort plus een lopende aanvraag of trial — en mag alleen door een fabrikant worden ingediend. Dat is geen knop die ik of mijn arts kan indrukken.

Wat er onderweg nog omviel: van deze vier routes beslist de EMA er geen enkele. Drie zijn zuiver nationaal en bij het n-of-1-protocol is de EMA adviseur. Dat maakt een Europese ingang niet waardeloos, maar het is niet het adres voor toegang tot een behandeling. En het scherpste onderscheid dat ik hieruit meeneem is er een dat ik eerder door elkaar haalde: een lab dat een variant kan valideren en een ziekenhuis dat een middel mag bereiden en toedienen zijn twee dingen, en die zitten niet automatisch in hetzelfde gebouw. De vijf figuren met loket, aanvrager en termijn, plus een routebepaler en de zes voorwaarden van de artsenverklaring ↓

Mijn variant scoort hoger dan de twee erkende varianten op dezelfde splice-site — en die zin is precies zoveel waard als de meetlat eronder

Op 8 september gaf DeepMind de AlphaGenome Atlas vrij: een voorberekende voorspelling voor elke mogelijke letterwissel in het menselijk genoom, negen miljard stuks, met per wissel één getal voor de moleculaire impact. Dezelfde avond had ik een uitslag: mijn variant krijgt een 1,908. Dat klinkt als iets, maar een getal zonder ijkpunt zegt niets. Dus heb ik het naast drie dingen gelegd.

Het sterkste ijkpunt zit in hetzelfde intron. ClinVar kent twee varianten van precies dezelfde splice-site, op de posities pal naast de knip: c.2416+1G>A en c.2416+2T>C, allebei als waarschijnlijk ziekmakend geclassificeerd. Zelfde donor, zelfde letters eromheen, zelfde model: zij krijgen 1,793 en 1,753, de mijne 1,908. Tegen de 61 bekende ziekmakende MYO6-varianten die te scoren waren sta ik op het 46e percentiel, vrijwel op de mediaan, en van de 22 splicevarianten daaronder scoort de mijne hoger dan 18. Geen enkele van 3.600 willekeurige letterwissels tussen genen in komt boven de 0,662.

Minstens zo belangrijk is wat ik er niet mee mag doen. Het model ziet de +5 als de gevoeligste letter van deze donor, gevoeliger dan +1 en +2. Dat gaat tegen de intuïtie in, want klinisch zijn +1 en +2 de zwaarste categorie, en het betekent dus niet dat mijn variant erger is — alleen dat het model deze positie in deze context het meest bepalend vindt. Het is ook geen zesde onafhankelijke aanwijzing: de score bouwt op hetzelfde AlphaGenome dat ik in mei al draaide, en een flink deel komt uit conservering, die elders in mijn dossier al meetelt. En de classificatie verandert niet, want in-silico bewijs telt één keer, hoeveel modellen je ook stapelt.

Wat het wél oplevert is een zin die ik aan een reviewer kan geven zonder eerst uit te leggen hoe vijf verschillende schalen werken: op een genoombrede schaal scoort mijn variant hoger dan twee varianten op dezelfde donor die al als waarschijnlijk ziekmakend te boek staan. Bij het narekenen viel me nog iets op dat in geen enkel percentiel zit. Van die 22 ziekmakende splicevarianten ligt er geen enkele op +3 tot +6: eenentwintig liggen pal naast de knip en één diep in het intron. Mijn variant heeft in die vergelijkingsgroep geen soortgenoten, alleen buren. De drie ijkpunten, de ontleding van het getal en een toets op welke zinnen je ermee mag schrijven ↓

De drempel die ik voor onhaalbaar hield staat op vijf — ik had een samenvatting geloofd in plaats van de tabel

In een analyse van vandaag stond bij het stukje over cosegregatie een zin die ik zelf had moeten schrijven en niet had geschreven: verifieer dit vóór het ergens uitgaat. De drempels voor het criterium PP1 — hoeveel familieleden er moeten meeërven voordat dat als bewijs telt — kwamen uit een samenvatting van de gehoor-specificatie, niet uit de specificatie zelf. Ik ben het gaan opzoeken, en de correctie is groter dan een detail.

Wat ik dacht: PP1 op de zwaarste sterkte vraagt meer dan zeven overervingen, verdeeld over meer dan één familie. Dat is voor een variant die pas in één familie beschreven is een gesloten deur, en zo stond het ook in mijn hoofd. Wat er werkelijk staat, in de tabel van de expertgroep zelf: vijf aangedane familieleden die de variant dragen, waarbij degene met wie het onderzoek begon niet meetelt. Voor de middelste sterkte zijn er vier nodig, voor de lichtste twee. De formule erachter is niet ingewikkeld — elke drager voegt ongeveer 0,30 aan de LOD-score toe en de drempels liggen op 0,60, 1,20 en 1,50 — maar het verschil tussen “meer dan zeven, over meerdere families” en “vijf, in één familie” is het verschil tussen een deur die dicht zit en een deur waar je tegenaan kunt duwen.

Bij het opzoeken kwamen er nog twee dingen mee die ik ook verkeerd had staan, allebei uit een versie 2 van de specificatie die sinds maart 2022 geldt en die ik nooit had gelezen; ik werkte met het artikel uit 2018. Ten eerste is het criterium voor zeldzaamheid in de populatie een sterkte teruggezet: het telt alleen nog als het lichtste gewicht. Dat is precies het criterium dat bij vrijwel elke zeldzame variant meedoet, dus wie met de oude tabel rekent, telt overal één punt te veel. Ten tweede: functioneel bewijs komt bij gehoorgenen bijna nooit hoger dan het lichtste gewicht. De middelste sterkte is voorbehouden aan een handvol proeven bij één specifiek gen, en de zwaarste alleen aan een muis waarin exact de variant is ingebouwd. Een geslaagde labproef weegt dus lichter dan ik hem in gedachten had staan.

Het patroon dat daaruit valt is nuchter en het geldt breder dan mijn eigen zaak. In een Pools cohort van 108 families dat in juni verscheen, zijn zes splice-varianten functioneel getest. Vier ervan liggen buiten de twee posities pal naast de knip; drie van die vier lieten in de proef zien dat het leesraam verschuift, en dat is het zwaarste dat een splice-variant kan doen. Alle vier eindigden op waarschijnlijk ziekmakend en geen enkele op ziekmakend. Het ene geval dat wel die hoogste klasse haalde, zat op een canonieke positie. Vertaald: een bewezen splice-fout buiten die twee posities brengt je tot de voorlaatste trede en daar houdt het op, tenzij er iets bij komt dat niets met de knip te maken heeft. In de praktijk is dat de familie. Dat maakt de vijf uit de eerste alinea geen bijzaak maar de hoofdzaak. De weegschaal met alle criteria, de drempels en wat er in een gegeven stand nog ontbreekt ↓

Mijn spraakscore van 70% betekent ergens tussen 53 en 83 — en dat verandert wat ik uit die reeks mag aflezen

Ik heb al maanden een reeks spraakscores waar ik naar zit te kijken: 94 procent in 2012, 85 in 2019, 70 in 2026, allemaal het linkeroor, allemaal onversterkt. De daling van de laatste twee metingen — vijftien procentpunt in zeven jaar — voelde als het duidelijkste signaal in mijn hele dossier. Vandaag heb ik dat narekend in plaats van gevoeld, en het antwoord is ongemakkelijk: die daling is statistisch niets.

Het zit hem in wat er geteld wordt. Een NVA-lijst is elf woorden van drie klanken, dus drieëdertig fonemen, en mijn score is het aandeel daarvan dat ik goed had. Dat is een kleine steekproef, en daar hoort een marge bij die niemand op het formulier zet. Bij zeventig procent op één lijst is de standaardfout acht procentpunt, en het interval waarbinnen mijn werkelijke vermogen ligt loopt van drieënvijftig tot drieëntachtig procent. Er zit dertig procentpunt speling in een getal dat ik als een meetpunt behandelde. Voor het verschil tussen twee metingen loopt de onzekerheid nog verder op: er is ongeveer twintig procentpunt nodig voordat een achteruitgang aantoonbaar is. Mijn vijftien haalt dat niet, en de kans dat toeval dit oplevert is ongeveer één op zeven.

Wat het wél redt is de lengte van de reeks. Neem ik 2012 erbij, dan is het verschil vierentwintig procentpunt over veertien jaar, en dan is het wel aantoonbaar. Daar zit de les in: ik kon dit alleen aantonen omdat ik toevallig een meting uit 2012 heb. Wie alleen de laatste twee metingen bekijkt, ziet niets. En dat is geen natuurwet maar een keuze die in de cabine gemaakt wordt — drie lijsten in plaats van één brengt de bewijsdrempel van twintig naar elf procentpunt, en kost een paar minuten. Ik ga dat bij de volgende meting expliciet vragen, want anders is die meting bij voorbaat net zo onbeslist als deze.

Daar komt het tweede punt bij, dat me eerlijk gezegd meer stoort. Al mijn metingen zijn onversterkt: koptelefoon, per oor, geen hoortoestellen. Het Nederlandse verwijscriterium voor een cochleair implantaat gaat over de aided score, dus mét toestellen in vrij veld. Dat zijn twee verschillende maten, en ik heb ze een tijd lang naast elkaar gelegd alsof ze op dezelfde schaal stonden. Bij een vlak verlies scheelt dat niet zoveel; bij mijn ski-slope wel, want een onversterkte test biedt alles op één totaalniveau aan en er is geen enkel niveau waarop mijn hele spraakspectrum tegelijk hoorbaar is. Een toestel doet wat een volumeknop niet kan. Mijn aided score kan dus hoger liggen dan die zeventig, en hoeveel hoger weet niemand, want die meting is er niet. De rekenaar met het interval, het kritieke verschil en het verschil tussen aided en onversterkt ↓

Dag nul bij een muis is week dertien bij een mens — het getal dat mijn lezing van twee dagen geleden scherpstelt

Ik schreef eergisteren dat de Snell’s waltzer-studie niet mijn ziektebeeld is, en dat blijft staan. Maar ik had de zin waar de auteurs mee afsluiten — dat er mogelijk vóór de geboorte ingegrepen moet worden — gelezen als een speculatie over een verre toekomst. Dat is het niet. Het is een rechtstreekse omrekening van de dag waarop ze geïnjecteerd hebben, en toen ik die omrekening opzocht bleek er een gepubliceerd ijkpunt voor te bestaan dat ik nergens in mijn dossier had staan.

Het zit zo. De muis wordt onaf geboren: zijn slakkenhuis werkt nog niet, zijn gehoorgang zit dicht, en hij hoort pas rond dag twaalf. Wij doen dat hele traject in de baarmoeder af en horen al vanaf week negentien tot twintig van de zwangerschap. De hele menselijke eerste drie maanden passen in de muizendracht. Daardoor komt de dag van geboorte bij een muis ongeveer overeen met week dertien bij ons, en sluit het behandelvenster dat in muisstudies standaard gebruikt wordt — geboorte tot dag vijf — bij een mens al rond week achttien. In beide soorten ligt dat ongeveer een week vóór de hoorstart, en dat is geen toeval maar precies het punt: het venster hangt aan de rijping van het orgaan, niet aan de kalender.

Wat dat voor mij verandert is niet de conclusie maar de scherpte ervan. Ik kan nu benoemen wáárom ik dat resultaat niet op mezelf hoef te betrekken, met een getal in plaats van met een gevoel: er is bij die muizen behandeld op een moment dat bij een mens niet in een spreekkamer bestaat. En het werkt ook de andere kant op, wat me eerlijk gezegd meer opluchtte. Een studie naar Usher-syndroom type 1G behandelde muizen tussen dag twaalf en eenentwintig, dus nádat het oor al hoorde, en een derde van die dieren kreeg alsnog aantoonbaar gehoor terug. De auteurs vertalen dag eenentwintig naar een kind van drie tot vier jaar. Daarmee is “het venster sluit bij de hoorstart” geen natuurwet maar een gemiddelde over genen die elk hun eigen tijdlijn hebben.

Twee dingen die ik hieruit meeneem voor hoe ik dit soort nieuws voortaan lees. Het eerste is dat de belangrijkste regel van zo’n studie in de methoden staat en niet in de samenvatting: op welke dag is er behandeld. Het tweede is een asymmetrie die ik zelf verkeerd om had. Een zwaar model — twee kapotte kopieën, aangedaan vanaf de aanleg — is de moeilijkste test die er is. Slaagt een therapie daar, dan is dat sterk bewijs. Faalt hij daar, dan weet je vooral dat de lat te hoog lag. Een uitkomst vertaalt het best in de richting waarin het model strenger was dan de werkelijkheid, en dat verklaart in één zin waarom het OTOF-middel wel de kliniek haalde: daar blijven de zintuigcellen gewoon staan en zit alleen de doorgifte los, dus er is geen venster dat dichtvalt en is het middel ook voor volwassenen goedgekeurd. De omrekening, met de vertaaltoets op zeven assen en vier studies erdoorheen ↓

Het eerste MYO6-gen-aanvullingsexperiment is gepubliceerd, en het faalde — maar niet noodzakelijk om de reden die je zou denken

De maandelijkse literatuurscan leverde deze keer geen kans op maar een tegenslag, en dan uitgerekend op de route die het langst als de meest voor de hand liggende gold. Op 28 augustus verscheen in Mammalian Genome een studie naar de Snell’s waltzer-muis, het klassieke MYO6-model, met Karen Avraham in Tel Aviv als eindverantwoordelijke en Jeffrey Holt en Gwenaëlle Géléoc uit Boston als mede-auteurs — niet de eerste de besten, het is de groep die de TMC1-gentherapie op de kaart zette. Ze karakteriseerden het gehoor en het evenwicht van die muizen en dienden vervolgens AAV-gentherapie toe die de ontbrekende genkopie aanvult, op de dag van geboorte of één dag later. De uitkomst staat er in vier woorden: het herstelde het gehoor niet, en het evenwicht evenmin. De auteurs sluiten af met de suggestie dat ingrijpen vóór de geboorte mogelijk nodig is.

Waarom dit hard aankomt: tot vorige week was er precies één gepubliceerd MYO6-therapie-experiment ter wereld, en dat ging over iets anders — het schakelde een schadelijk allel uit in een muis met een puntmutatie die actief gif produceert. Aanvullen was nooit geprobeerd. Ik had dat gat zelf twee weken eerder in mijn dossier gemarkeerd als een openstaande vraag. Hij is nu ingevuld, en het antwoord is nee.

En dan de nuance die ik er meteen bij moet zetten, want zonder die nuance lees ik dit verkeerd. Dit is niet mijn ziektebeeld. De Snell’s waltzer-muis heeft van beide ouders een kapotte kopie en dus vanaf de conceptie geen enkel werkend myosine VI. De haartjes op de zintuigcellen beginnen al kort na de geboorte aan elkaar te plakken; het orgaan wordt nooit goed aangelegd. Ik heb één werkende kopie, mijn gehoor was normaal tot mijn tiende of twaalfde, en mijn spraakverstaan lag dertien jaar lang vrijwel vlak. Een therapie op dag één bij die muis probeert een bouwfout te repareren die al gemaakt is. Bij mij zou een therapie iets moeten onderhouden dat wel degelijk goed is aangelegd. “Aanvullen werkt niet” en “aanvullen kwam te laat voor een orgaan dat zich nooit goed heeft gevormd” zijn verschillende conclusies, en deze data kan er niet tussen kiezen.

Wat het wél doet, en daar zit voor mij de waarde, is de vanzelfsprekendheid weghalen. Ik ging er stilzwijgend van uit dat aanvullen in het binnenoor in principe werkt en alleen nog een betere verpakking nodig heeft. Er staat nu een tweede paper naast dat dezelfde kant op wijst: het Shanghai-lab liet in juli zien dat bij toediening in het binnenoor de leeftijd van het dier bepalender is voor waar het gen terechtkomt dan de gekozen toedieningsroute. Twee onafhankelijke studies die naar dezelfde variabele wijzen, en dat is precies de variabele die ik niet kan repareren. Ik ben vijfenvijftig.

Dat maakt de sporen die niet op aanvullen berusten in verhouding sterker, en dat is geen troostprijs maar een verschuiving die ik moet doorvoeren. Een oligonucleotide dat de knipfout corrigeert, of dat de rem loszet op de productie vanaf mijn gezonde kopie, herstelt de opbrengst van een orgaan dat er al staat — in plaats van te proberen een ontwikkelingsachterstand achteraf in te halen. Diezelfde routes zijn bovendien herhaalbaar en regulatoir lichter. Dit is geen reden om de gen-aanvullingsroute te schrappen, want dat zou dezelfde denkfout zijn in de andere richting: één muismodel is geen uitspraak over een heel gen. Maar de bewijslast is verschoven, en de vraag die ik hierover aan mijn KNO-arts wil stellen is klein genoeg om in een gesprek te passen: verandert dit de weging tussen aanvullen en corrigeren voor iemand bij wie het pas op zijn tiende begon?

De lichtste route is geen trial maar een behandeling — en het toelatingsdossier daarvoor ligt er grotendeels al

De aanleiding was een besluit in de Staatscourant dat op het eerste gezicht niets met mij te maken heeft: de Universiteit Utrecht krijgt vergunning om honden met artrose te behandelen met een virale vector vol therapeutische hondengenen. Wat me trof is wie die vergunning verleent — de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. De voor de hand liggende lezing is dat I&W over dierproeven gaat, en die klopt niet: dierenwelzijn loopt via een heel ander loket. I&W gaat over het introduceren van een genetisch gemodificeerd organisme in het milieu. De hond is in die redenering niet het beschermde object maar de omgeving. En daarmee raakt dat besluit mijn dossier recht in het midden, want een AAV in mijn cochlea valt onder precies hetzelfde besluit. Dan ben ík het milieu, met dezelfde publicatie in de Staatscourant en dezelfde mogelijkheid voor willekeurige burgers om een zienswijze in te dienen op mijn behandeling.

Toen ik het daarna helemaal uitzocht, bleek mijn vermoeden dat een ASO "lichter" beoordeeld wordt dan base editing wel te kloppen, maar langs een andere breuklijn dan ik dacht. Er lopen twee assen die los van elkaar staan. Of iets een ggo is, wordt bepaald door de drager: een kaal chemisch oligonucleotide is een molecuul en geen organisme, een virale vector is dat wel, ongeacht wat hij vervoert. Wie het mensgebonden onderzoek toetst, is een tweede vraag — en daar valt het tegen, want antisense-oligonucleotiden en RNA-interferentie staan expliciet op de lijst voor verplichte centrale beoordeling door de CCMO. Een ASO ontsnapt dus niet aan de zware toets; hij ontsnapt aan de openbare inspraakprocedure. Het gevolg is contra-intuïtief: een base editor in een vetbolletje is regulatoir lichter dan een gewone gen-aanvulling in een virus. De winst zit niet in de precisie van de ingreep maar in het weglaten van het virus, en dat is een ontwerpkeuze die vroeg gemaakt wordt, meestal op technische gronden, terwijl hij het hele vervolgpad bepaalt.

De vondst waar ik het meest van opkeek is dat er niet één zwaarte is maar drie, en dat de lichtste geen trial is. Een individuele behandeling met een oligonucleotide op maat is juridisch geen wetenschappelijk onderzoek onder de WMO — dat stelt de CCMO zelf. Geen onderzoeksprotocol dat goedgekeurd moet worden, geen ggo-vergunning zolang de drager kaal is, geen openbaar besluit. Wat er wél is: een protocol dat het Dutch Center for RNA Therapeutics in overleg met het CBG, de EMA en de CCMO heeft opgesteld, waarbij de CCMO aan tafel zit vanwege haar expertise en niet als toetsende instantie. Dat maakt de schets die Bert me op 19 augustus gaf niet fout, maar wel te grof: zijn pad — preklinisch pakket, first-in-human, aanvraag centraal via de EMA — klopt voor markttoelating, niet voor één patiënt. Het onderscheid draagt gewicht, want het bepaalt of het regulatoire deel jaren of maanden is, en of er überhaupt een sponsor met een productdossier nodig is.

En toen viel het kwartje over wat ik al heb. Dat DCRT-protocol stelt twee inhoudelijke eisen vóórdat er iets toegediend mag worden: testen in patiënt-afgeleide geïnduceerde stamcellen, en een vastgelegde baseline ziekteprogressie. Beide lopen al. De organoïden bij Locher zijn het eerste, en mijn meetreeks van 2012 tot 2025 is het tweede — dertien jaar aan metingen die geen enkele onderzoeksgroep achteraf kan produceren. Zonder dat het ooit zo bedoeld was ligt het toelatingsdossier voor de lichtste route er voor tweederde. Dat verandert de vraag die ik aan Locher moet stellen: niet "kent u het DCRT" als losse introductievraag, maar de cellijn komt straks bij u vandaan en de natural history ligt er al — is dit een DCRT-casus, en welke stukken ontbreken dan nog? Van een gunst naar een dossier dat al grotendeels op tafel ligt.

Wat ik hier vooral aan overhoud is een correctie op mijn eigen somberte. Ik had de regelgeving stilzwijgend als de muur behandeld, mede omdat het al moeite kostte om bloed te laten afnemen voor onderzoek. Die vergelijking gaat niet op: dat was een lokale, administratieve drempel die in één gesprek verdween toen er een ander soort monster op tafel kwam. De therapiedrempels zijn structureel en nationaal en verdwijnen niet door slim te routeren — maar ze zijn eindig, kenbaar en aftikbaar. De regelgeving is niet de bottleneck. Wat ontbreekt is een lab met GMP-productie en financiering, en de vraag of iemand dit voor één patiënt wíl maken. Dat is een onaangenamer antwoord dan een muur, want tegen een muur kun je een procedure beginnen. De hele routekaart, met een routebepaler per modaliteit en de wettelijke termijnen ↓

DFNA9 is niet de buurman van DFNA22 maar het spiegelbeeld — en het founder-effect, niet de biologie, verklaart de voorsprong

De aanleiding was klein: een aankondiging van de Kennisdag DFNA9 in mijn mailbox, en de vraag die daar vanzelf uit volgt — is het verschil met DFNA22 alleen het gen? Het antwoord is nee, en het is vervelender dan dat. Het nummer betekent niets. Negende gevonden, tweeëntwintigste gevonden; dat is alles wat het cijfer zegt. Wat er wél verschilt is vrijwel alles: COCH maakt een eiwit dat buiten de cel hoort, in het spiraalligament, MYO6 een motor in de haarcel. Bij DFNA9 valt het evenwichtsorgaan standaard mee uit, bij mij niet. En het mechanisme staat er precies omgekeerd in: bij COCH is dominant-negatief aangetoond — mutant cochline klontert en sleept het gezonde cochline mee de klont in — terwijl bij mij alles naar een tekort wijst. De ingreep die daaruit volgt is dus niet dezelfde behandeling in een ander gen. Het is de tegenovergestelde beweging: zij moeten iets weghalen, ik zou iets moeten bijvullen.

Het scherpste inzicht van de avond zit in een redenering die ik in beide dossiers ben tegengekomen, in exact dezelfde vorm: dragers van één uitgeschakelde kopie horen normaal, dus de helft is genoeg, dus dosisverlies kan de ziekte niet verklaren, dus het moet een gifproduct zijn. Bij COCH houdt die keten stand, en niet omdat hij mooi klinkt: er bestaat een recessieve tegenhanger, DFNB110, en de heterozygote dragers dáárvan zijn nagekeken en horen normaal. Bij MYO6 is dezelfde redenering in 2008 aangevoerd op basis van de normaal horende ouders van recessieve patiënten — en weerlegd door heterozygote nulmuizen die wél progressief slechthorend worden. Identieke vorm, tegengestelde uitkomst, en het hele verschil zit in of iemand de premisse ooit heeft gemeten. Dat is het antwoord dat ik nodig heb zodra iemand de DFNA9-logica op mijn variant loslaat.

De ongemakkelijke les komt daarna. DFNA9 in Nederland en België draait om één variant, p.P51S, en haplotype-analyse liet zien dat die families een gemeenschappelijke voorouder delen: meer dan duizend mensen met exact dezelfde letterverandering. Eén allel-specifiek molecuul bedient dat hele cohort. Dáár zit de voorsprong — niet in het gen, niet in de biologie, maar in populatiegenetica vertaald naar een businesscase. Ik heb het nagerekend op de gepubliceerde MYO6-varianten: 21 dominante varianten in de literatuur, meestal één familie per variant. Een middel dat op mijn letter mikt raakt er precies één. Een route die op het tekort mikt in plaats van op de letter raakt er veertien.

Daarmee klopt de conclusie die ik twee dagen eerder bij het poison exon al voelde aankomen, maar nu met een getal erbij: voor een novel variant is een mechanisme-agnostische route niet een tweede keus maar de eerste. En wat ik van DFNA9 wél kan lenen is niet het middel maar de infrastructuur — de ASO-chemie, het organoïden-platform, de as Nijmegen–Antwerpen, en vooral het precedent dat een dominante binnenoor-aandoening hier van onbehandelbaar naar preklinisch programma kan gaan. Wat ik niet kan lenen is het cohort, en dat is nu net het enige wat niet te organiseren valt. De volledige vergelijking, met de argumenttoets en de dekkingsrekenaar ↓

MYO6 heeft een poison exon — een rem op de eigen eiwitproductie, en die kun je proberen los te zetten

De aanleiding was een gate-vraag, geen hoopvol vermoeden. Stoke Therapeutics heeft een platform, TANGO, dat de eiwitproductie vanaf het gezonde allel opschroeft in plaats van het kapotte te repareren. Dat is letterlijk de behandeling van haploinsufficiëntie, en er ligt een bijna pijnlijk nette analogie in hun pijplijn: STK-002 voor dominante opticusatrofie — dominante overerving, haploinsufficiëntie van één gen, progressief verlies van een zintuig. Vervang oog door oor. Maar de aanpak werkt alleen als het gen een poison exon heeft: een stukje dat bij inclusie een voortijdig stopcodon introduceert en het afschrift naar NMD stuurt. Geen poison exon, geen route — hoe goed het ziektemechanisme verder ook past. Die vraag is met openbare data te beantwoorden en kostte geen enkel contact met wie dan ook, dus die heb ik eerst gedaan.

Het antwoord is ja. In intron 18 ligt een cassette-exon van 93 bp op chr6:75.867.431–75.867.523. Het komt voor in vier van de zestien MYO6-transcripten met NMD-biotype, steeds tussen exact dezelfde flanken, en in geen enkel van de 22 eiwitcoderende transcripten. Het bevat in elk van de drie leesramen minstens één stopcodon — hoe het ribosoom er ook binnenkomt, het stopt erin.

De overtuigende maat is niet de positie maar de conservering. Gemiddelde phyloP +2,99, tegen +0,46 en +0,20 voor twee willekeurige stukken uit hetzelfde intron; canoniek exon 18 haalt als coderende controle +4,53. 98% van de posities scoort boven neutraal. Sequentie die niets doet, drijft weg — deze is honderd miljoen jaar vastgehouden terwijl er nooit een aminozuur uit voortkomt. Dat is het patroon van een functioneel autoregulatie-element, niet van annotatieruis.

Wat me er het meest aan bevalt is niet de vondst zelf maar wat voor soort route hij openzet. Alles in dit dossier is tot nu toe n-of-1 geweest: een middel voor mijn variant, voor mij, misschien voor die ene Japanse familie. Een ASO die dit exon blokkeert grijpt juist niet op mijn variant aan — hij ligt er ruim 14 kb vandaan — en zou daarmee werken voor iedereen met MYO6-haploinsufficiëntie. Dat is het verschil tussen maatwerk en een programma, en het is precies waar een n-of-1-traject altijd op strandt.

Twee dingen die dit nadrukkelijk niet is. Het is geen bewijs dat de route werkt: de inclusiefractie — hoeveel procent van de transcripten dit exon werkelijk meeneemt — is onbekend, en zonder dat getal is er niets te zeggen. Bij 30% valt er veel te winnen, bij 2% vrijwel niets; je kunt geen rem loszetten die niet aanstaat. Dat vraagt RNA-seq met junction-kwantificatie, en poison-exon-gebruik verschilt bovendien sterk per weefsel. En het is geen claim dat ik iets nieuws heb gevonden: ik heb geen publicatie kunnen vinden die dit exon als zodanig beschrijft, maar niets vinden is geen bewijs van nieuwheid, en Stoke heeft naar eigen zeggen zo'n 6.500 genen in kaart. Bovenal hangt alles aan dezelfde gate als de rest: bij dominant-negatief helpt méér eiwit van het gezonde allel niet. Die uitslag ligt nog in Nijmegen. De volledige analyse, met de sequentie en een rekenaar voor de opbrengst ↓

Göttingen heeft het dossier echt gelezen — en er ligt voor het eerst een toetsbaar ijkpunt

Zeventien dagen na de dossiermail van 28 juli kwam het inhoudelijke antwoord van prof. Moser, en het is geen beleefdheidsbrief. Hij vraagt toestemming om het dossier voor te leggen aan zijn team, "which also includes human genetics experts", biedt een beveiligde link aan om mijn audiologische data te uploaden, en meldt dat er een patiëntenregister wordt voorbereid dat hopelijk later dit jaar op hun websites verschijnt — wie aan de inclusiecriteria voldoet en zich registreert, wordt uitgenodigd voor een consult. Sinds maart 2025 schoof elke datum uit Göttingen alleen maar op; dit register is het eerste ijkpunt waarvan je gewoon kunt kijken óf het verschijnt. Binnen een uur heb ik op alle drie ja gezegd.

Het opvallendste zit in een bijzin: hij heeft zelf literatuur gezocht. Hij vond Oka et al. 2020 — de Japanse familie met dezelfde variant — en merkt uit eigen beweging op dat die studie het afwijkende transcript nooit experimenteel heeft aangetoond: geen patiënt-RNA, geen minigene. Dat is precies het gat dat de lopende RNA-analyse in Nijmegen moet dichten, en het is iets waard wanneer een onafhankelijke expert dat gat zelf benoemt in plaats van het aangereikt te krijgen.

Op mijn vraag hoe optische stimulatie werkelijk zal klinken kwam een integer antwoord: er komt een computationele studie die verder gaat dan noise-vocoding, maar geen geluidsdemo — "it will remain up to the courageous participants of the clinical trial to assess the quality of the hearing." De vraag waarop ik in 2025 afhaakte wordt dus niet vooraf beantwoord; hij is geherformuleerd als een risico dat je aanvaardt of niet.

En de klinisch waardevolste alinea gaat over de zenuw. Bij laat beginnend DFNA22 ziet hij secundair verlies van spiraalganglioncellen niet als een gevestigde component van de vroege of middenfase van de ziekte — eerder als een plausibel láát gevolg, waarvoor MYO6-specifiek kwantitatief bewijs ontbreekt. Vertaald: het neurale doelwit is er waarschijnlijk nog, en wachten eet het niet in hoog tempo op. Het spoor staat nu bewust in de wachtstand; het volgende bericht naar Göttingen is de RNA-uitslag.

Ik ging de verkeerde meting halen — en de reeks die ik al had bleek het eigenlijke bezit

Eén dag voor mijn baseline-afspraak kwam de vraag onder de vraag boven. Sinds de huisartsverwijzing van eind mei — ruim twee maanden — stond de DPOAE in mijn dossier als "de objectieve nulmeting", de meting waar zonder je later geen therapie-effect kunt aantonen. Mijn vermoeden was dat die bijzondere metingen bij mij weinig opleveren en in de OTOF-trials vooral gebruikt zijn omdát de deelnemers kleine kinderen waren — een workaround, geen betere meting. Ik heb dat getoetst in plaats van geloofd, en het klopt, sterker dan ik het formuleerde.

Bij Otarmeni — de eerste goedgekeurde gentherapie voor genetisch gehoorverlies, april 2026 — was het gedragsaudiogram het primaire eindpunt en de klik-ABR het secundaire, bij een deelnemersgroep met een mediane leeftijd van twee jaar. Zelfs daar won het audiogram dus al. De richtlijnen zeggen het bovendien zelf: de British Society of Audiology noemt de ABR letterlijk "a surrogate for the pure-tone audiogram", de American Academy of Audiology schrijft dat de gedragsmeting de gouden standaard is, en de ISO-norm voor drempelmeting gaat uitsluitend over de gedragsmeting. In mijn verliesbereik is het nog scherper: boven 70 dB HL wijkt de ABR-drempel op 500 Hz systematisch bijna 30 dB af, en klik-ABR meet met zijn zwaartepunt op 2 tot 4 kHz precies het gebied dat bij mij weg is.

Maar "dus alleen een audiogram" is de verkeerde afslag, en dat is de nuttigste correctie op mezelf. Het veld beweegt weg van drempels: de Amerikaanse academie van wetenschappen laat drempelmeting in juli 2025 bewust buiten de aanbevolen uitkomstmaten en zet spraakverstaan er wél in. Een adaptieve spraak-in-ruis-test heeft een test-hertest-spreiding van 0,6 tot 0,9 dB tegen 4 tot 6 dB voor een toondrempel — vijf tot acht keer scherper. En het mechanisme wijst dezelfde kant op: myosine VI zit in de ribbonsynaps van de binnenste haarcel, dus een effect zou daar het eerst zichtbaar worden, mogelijk zonder dat drempels bewegen.

Het onaangenaamste inzicht kwam als laatste. Eén audiogram is sowieso geen nulmeting. Een MYO6-therapie remt progressie, dus het eindpunt is een helling — en over tien jaar scheelt dat ongeveer 10 dB, precies de meetruis op één frequentie. Ik heb doorgerekend hoe lang je moet doormeten voor je dat verschil hard kunt maken: met toondrempels ruim zestien jaar, met spraak-in-ruis viereneenhalf. (Dat geldt alleen voor rémmen — zou het gehoor echt vooruitgaan, dan zie je dat vrijwel meteen, want spontaan gebeurt dat nooit.) De rekenaar staat onder mijn profiel ↓ Wat er dan overblijft is een gedachte die ik eerder niet had: er bestaat geen retroactieve ABR. Mijn negen audiogrammen over dertien jaar zijn de natural-history-reeks die geen enkele meting van morgen kan inhalen. De vraag is niet welke meting erbij moet, maar hoe die reeks wordt voortgezet.

Een verzoek van zestien maanden geleden ingelost — en de tijdlijn van het licht-implantaat eerlijk nagerekend

In maart 2025 mailde ik het lab in Göttingen dat werkt aan een optogenetisch cochleair implantaat: geen elektrische stroom maar licht, waarbij de gehoorzenuw lichtgevoelig wordt gemaakt in plaats van de haarcellen. Ze zetten me op de patiëntenlijst en vroegen om twee documenten: mijn audiogram en de uitslag van het DNA-onderzoek. Die zijn er toen nooit gekomen — ik had ze niet, en een geluidsdemo die ik beluisterde klonk zo slecht dat mijn animo wegzakte. Op 28 juli zijn ze alsnog verstuurd, en het dossier is nu onvergelijkbaar veel sterker: de variant met vijf-model-consensus, en dertien jaar audiogram-reeks. Wat er tegelijk uit het narekenen kwam is minder prettig maar wel eerlijk: hun eigen roadmap zet fase I/II op 2029, fase III op 2032 en Europese markttoelating op 2036 — een startdatum die sinds 2022 van 2026 via 2027 naar 2029 is opgeschoven. En er zit een omkering in die je makkelijk mist: voor een eerste veiligheidsstudie kies je patiënten die weinig te verliezen hebben, dus juist mijn stabiele restgehoor maakt me daar waarschijnlijk géén kandidaat. Dat is precies de vraag die nu in de mail staat.

Die CI-demo op internet die zo blikkerig klinkt? Die is een slechte voorspeller

Dit inzicht is breder dan mijn dossier, dus het hoort hier eigenlijk het meest thuis. Wie overweegt of hij ooit een cochleair implantaat wil, luistert bijna altijd eerst naar een online simulatie — de bekende robotachtige, blikkerige klank. Die simulaties zijn vocoders, en ze worden gebruikt omdat ze makkelijk te maken zijn, niet omdat ze kloppen. De toets die je wil, bestaat: mensen met eenzijdige doofheid en een CI kunnen hun geïmplanteerde oor rechtstreeks vergelijken met een simulatie in hun goede oor. Die vergelijking geeft vocoder-demo's een gelijkenis van ongeveer 1,9 op 10. Dat zegt niet dat een CI goed klinkt — dat weet niemand van buitenaf. Het zegt dat een demo geen bruikbare basis is om die vraag te beantwoorden, in géén van beide richtingen. Ik heb mijn eigen besluit uit 2025 op precies dat punt herzien: het "nog niet implanteren" staat nog steeds, maar niet meer omdát een demo lelijk klonk.

Hybride implantaten bestaan — maar in Nederland praktisch niet, en het restgehoor houdt vaak geen stand

Een EAS of hybride implantaat is op papier gemaakt voor precies mijn soort verlies: een kort implantaat neemt de hoge tonen over, terwijl de lage tonen akoestisch versterkt blijven. Drie bevindingen na een ronde langs de primaire bronnen. (1) De criteria zijn hard en ze splitsen mijn twee oren: de grens ligt bij 65 dB (MED-EL) respectievelijk 60 dB (Cochlear) op de lage tonen — mijn linkeroor haalt dat op 500 Hz met 60 dB, mijn rechteroor niet met 70 dB. (2) In Nederland is het geen aanbod: geen van de zeven CI-centra noemt EAS, en de Veldnorm CI uit 2022 heeft er nul woorden over. Wat hier standaard is heet bimodaal — implantaat in het ene oor, hoortoestel in het ándere. EAS werkt in hetzélfde oor; dat is iets anders. (3) Het restgehoor blijft vaak niet: gemiddeld ruim 24 dB verlies op de lage tonen na een jaar, en na 5,5 jaar had de helft van de geïmplanteerde oren minimaal of geen restgehoor meer. Dat laatste weefsel is precies wat een toekomstige gentherapie nodig heeft. Zelf je waarden tegen de criteria houden ↓

Nijmegen heeft mijn aandoening letterlijk in de onderzoeksscope staan — en het patroon eronder is leerzaam

Op zoek naar wie de overgebleven vraag kan beantwoorden, kwam de scherpste vondst uit eigen land. De groep voor moleculaire therapie bij erfelijke gehoor- en zichtverlies in het Radboudumc noemt in haar eigen scope-omschrijving DFNA22 — mijn aandoening. Ze doen exact het type werk dat mijn variant vraagt: antisense-oligonucleotiden, splice-switching, allel-specifieke remming van een ziek allel bij een dominant gen, en gehumaniseerde diermodellen voor diep-intronische varianten. En toch is er geen MYO6-programma: sinds 2017 geen enkele MYO6-publicatie uit Nijmegen. Het patroon dat dat verklaart is het interessantste deel, en het geldt voor elke zeldzame aandoening: de genen mét een therapieprogramma zijn precies de genen mét een eigen patiëntenstichting. COCH, RIPOR2, USH2A — alle drie een stichting, alle drie een programma. MYO6 heeft er geen. Een stichting levert wat een onderzoeksgroep zelf niet kan maken: een gedefinieerd cohort, financiering en een aanspreekbare partij bij subsidieaanvragen. De eerste vraag is dus niet "wil iemand dit doen" maar "hoeveel Nederlandse families met deze diagnose zijn er eigenlijk".

Het derde lab zegt nee — en dat maakt de vraag niet zwakker, alleen preciezer

Op de kleinere vraag van 27 juli (wie kan de NMD-escape-fractie kwantificeren?) kwam binnen zestien uur een vriendelijk maar duidelijk nee uit Utrecht. Daarmee zijn de drie labs die deze maand zijn benaderd alle drie beantwoord: het bevriende biotech-lab is op DNA ingericht en niet op RNA, het Shanghai-lab heeft geen validatie-aanbod, en het Utrechtse instituut werkt aan andere organen. Dat is geen mislukking maar een opschoning: de vraag blijft staan, en hij is nu zo klein en zo scherp dat hij aan de juiste soort groep gesteld kan worden — een moleculair lab dat routineus met NMD-remming en allel-specifieke kwantificatie werkt. Wat het wél verandert: de meest kansrijke route loopt waarschijnlijk niet via nóg een cold-mail, maar via de audiologische en genetische ingangen in eigen land.

Geprikt — en het lab moet mijn cellen eerst laten groeien

Twaalf dagen na de telefonische toezegging lag het bloedsetje op de mat (26 juli), de dag erna is er geprikt. Het aanvraagformulier stelt precies de twee vragen die ertoe doen: wordt de variant aberrant gespliced, en kan NMD overgeslagen worden. Eén detail dat je makkelijk mist en dat de hele meting kan laten mislukken: MYO6 komt in vol bloed nauwelijks tot expressie — ongeveer 0,22 TPM, te weinig om betrouwbaar op af te lezen. In gekweekte lymfoblastoïde cellijnen is dat ~19 TPM, ruim voldoende. De heparinebuis is precies de buis die je gebruikt als je gaat kweken, dus de route klopt — maar wie een RNA-test aangeboden krijgt voor een splice-variant doet er goed aan te vragen óf het gen in het aangeleverde weefsel überhaupt afgelezen wordt. Een RNA-test op een gen dat in bloed zwijgt, meet niets.

"Het is haploinsufficiëntie" is een uitspraak over de klasse, niet over mijn variant

Bij navraag over het mechanisme kreeg ik de standaardpositie van het veld terug: MYO6-gerelateerd gehoorverlies wordt veroorzaakt door haploinsufficiëntie, verlies van functie van één allel volstaat. Dat is nuttig om te weten en het is de aanname waarop preklinische programma's worden gebouwd — maar het sluit mijn gate niet, om twee redenen. Ten eerste is het een uitspraak over MYO6-varianten als klasse; over déze variant luidde het advies in dezelfde adem: test of hij splicing verstoort, via een minigene of een RNA-analyse. Dat is geen vaststelling, dat is de test die nu loopt. Ten tweede staat de Hilgert-tegenwerping nog altijd overeind: dragers van recessieve MYO6-null-allelen (DFNB37-ouders) horen gewoon normaal, dus 50% eiwit is kennelijk genoeg — en dan verklaart dosisverlies alléén geen dominante ziekte. MYO6 is genetisch ook opvallend LoF-tolerant (pLI 0,09, LOEUF 0,50). Die spanning is niet opgelost, en een generieke veld-uitspraak lost 'm niet op. Alleen een meting doet dat.

De vraag aan een onderzoekslab is kleiner geworden: alleen nog de escape-fractie

Op 12 juli vroeg ik twee labs of ze een minigene-assay wilden draaien. Die vraag is achterhaald: er komt patiëntmateriaal, en dat is sterker bewijs dan een construct. Maar de diagnostiek dekt vermoedelijk niet de héle vraag — die beantwoordt "skip: ja of nee", terwijl het therapie-ontwerp afhangt van hoevéél afwijkend transcript de NMD-opruiming overleeft. Dat meet je door gekweekte cellen te behandelen met een NMD-remmer en het mutante allel apart te kwantificeren; onderzoekswerk, geen diagnostiek. Precies dát gat — en niets meer — is op 27 juli aan het Hubrecht (Utrecht) voorgelegd, voorwaardelijk geformuleerd zodat nee zeggen makkelijk is. Een vraag verkleinen tot het stuk dat écht niemand anders doet, blijkt de enige manier waarop een patiënt-verzoek aan een lab een kans maakt.

Regeneratie repareert geen genetisch defect — en Lilly's gehoor-onderzoek zit niet in Katwijk

Via een tip kwam de REGAIN-trial langs (LY3056480, een gamma-secretase-remmer die steuncellen tot nieuwe haarcellen aanzet), gekoppeld aan het nieuws dat Eli Lilly een vestiging in Katwijk krijgt — geframed als "Lilly's hearing restoration research center". Twee correcties. (1) REGAIN's fase I/IIa (Audion Therapeutics + EU REGAIN-consortium, Nature Communications 2024) haalde het primaire eindpunt niet: geen drempelverandering, en de losse "verbeteringen" kwamen even vaak voor in het onbehandelde oor. Belangrijker nog voor mij: regeneratie kan een genetisch defect niet repareren — elke nieuw gevormde haarcell draagt dezelfde MYO6-variant, en precies daarom sloot de trial genetische oorzaken uit. Voor MYO6/DFNA22 blijven gen-additie en base-editing de passende routes, niet regeneratie. (2) De Katwijk-vestiging is een €2,5 mld orale-medicijnfabriek (diabetes/kanker/Alzheimer) bij Leiden Bio Science Park — geen gehoor-research center. Lilly's echte gehoor-onderzoek zit in Boston (Akouos, AK-OTOF voor OTOF/DFNB9) en de Seamless-recombinase-deal (2026, tot $1,12 mrd). Netto: Lilly is een top-3-speler in gehoor-gentherapie, maar via Boston en gene-editing — niet via een Nederlandse fabriek.

Het lab dat ik zocht bleek al te bestaan — en de arts die ik volgende week spreek is de auteur

Sinds mei stel ik aan lab na lab dezelfde vraag: wie kan meten hoeveel van mijn afwijkende boodschapper-RNA aan de opruimdienst ontsnapt? Drie keer nee. Een lab hier in de buurt bleek op DNA ingericht en niet op RNA. Het MYO6-lab in Shanghai antwoordde vriendelijk dat ik zoiets zelf kon laten doen. En eind juli schreef een bekende Nederlandse stamcelbioloog terug dat hij niet aan het binnenoor werkt en dat het Radboudumc vast labs heeft die dit kunnen. Drie keer hetzelfde antwoord: het kán, maar niet bij ons.

Op 1 augustus liep de maandelijkse literatuurscan tegen een preprint van 20 juli aan, en daar stond een naam in die ik niet verwachtte. Dr. Heiko Locher — de KNO-arts bij wie ik op 7 augustus in Leiden zit voor de nulmeting — is correspondentieauteur van een studie over patiënt-afgeleide binnenoor-organoïden: minivarianten van een binnenoor, gekweekt uit iemands eigen cellen. Zijn mede-auteurs zijn de Nijmeegse groep die ik een week eerder zelf had aangewezen als de enige in Nederland die mijn aandoening in haar onderzoeksomschrijving heeft staan. Ze werken dus al samen.

Wat het platform doet, past op drie punten tegelijk op mijn dossier. Ze gebruiken ASO's die de knipfout in het RNA corrigeren — precies het type fout dat mijn variant maakt. Ze deden dat óók voor een dominant gehoorgen, dezelfde overervingsvorm als de mijne, niet alleen voor de makkelijkere recessieve gevallen. En het uitgangsmateriaal is bloed, dat op 27 juli al is afgenomen. Dat maakt mijn vraag voor volgende week klein en concreet in plaats van een verzoek om een gunst: past mijn variant in dit platform, en zo ja — als eigen patiëntlijn, of alleen als nagebouwde controle? Het is een kans, geen toezegging. Maar het is de eerste keer sinds mei dat de vraag bij iemand ligt die de techniek daadwerkelijk in huis heeft.

Fudan antwoordt: het MYO6-lab neemt contact op

De mail aan prof. Yilai Shu lag sinds mei klaar en is op 12 juli verstuurd — met de heropende mechanisme-gate als aanleiding, de base-editing-route uitgewerkt, en het bestelklare construct als bijlage. Antwoord binnen ongeveer zes en een half uur: een onderzoeker uit zijn team neemt contact op. Daarmee is Fudan in één klap het warmste en beste-passende kanaal — MYO6-expertise, muismodellen, vectoren, en een lopende dual-AAV-trial in mensen. De les die ik meeneem: dit was geen standaard patiënt-cold-mail, en dat is waarom hij werkte. Er zat een concreet, klein verzoek in (kloneer twee fragmenten, draai één RT-PCR) in plaats van "wilt u onderzoek voor mij doen". Diezelfde avond een zelfstandig Engels casedossier samengesteld — variant, vijf-model-consensus, de open mechanisme-vraag, het construct, de base-editing-analyse en de klinische context — zodat het overdrachtsklaar is zodra het contact komt. Tegelijk ging er een mail naar het Hubrecht (Utrecht); die follow-up staat bewust in de wacht tot Fudans plan duidelijk is.

Mijn variant is er één van 2.783 — het splice-VUS-probleem geteld

Mijn variant is een splice-VUS: hij zit op de naad tussen exon en intron, vijf modellen zeggen dat hij schadelijk is, maar niemand heeft het gemeten — dus blijft hij formeel "betekenis onbekend". Ik vroeg me af hoe alleen ik daarin sta, en heb het geteld in plaats van geschat: tegen de ClinVar-release van 7 juli, over de 165 diagnostische gehoor-genen, staan er 2.783 onopgeloste splice-varianten, verspreid over 131 van die 165 genen — en geen enkele met een mechanisme-oordeel. Ook de "die-is-vast-onschuldig"-reflex op mijn eigen positie (donor +5) houdt geen stand: van de 566 varianten daar zijn er al 69 ziekteveroorzakend verklaard. Dat maakt de minigene-route méér dan een privé-oplossing — het is een pijplijn die op duizenden andere mensen toepasbaar is. De telling en de triage-pijplijn →

LUMC bevestigt: de heranalyse bij Radboud loopt — en de deur staat op een kier

Sinds 18 mei was het stil op de klinische route. Op 6 juli kwam het antwoord van de klinisch geneticus: de heranalyse op autosomaal-dominante overerving is bij Radboud ingediend en loopt, nog niet afgerond, en er volgt contact zodra er meer duidelijkheid is — of zodra er een vervolgstap gevraagd wordt. Drie dingen tegelijk: de aanvraag bestaat echt (niet blijven hangen), het wachten is inhoudelijk en niet administratief, en die laatste bijzin is precies de opening die de RNA-/minigene-studie maandenlang miste. Die studie ís de vervolgstap — en het construct ervoor ligt nu klaar.

De mechanisme-gate doorgerekend + een bestelbaar construct — en één spoor gesloten

Drie stappen op één dag. (1) De 50-nt-regel uitgerekend in plaats van beweerd: op het MANE-transcript valt het voortijdige stopcodon 1239 nt vóór de laatste exon-junctie, met 11 juncties erachter — sterk NMD-substraat, dus het mutante allel maakt netto niets → haploinsufficiëntie. Het gezonde allel komt in dezelfde berekening correct als NMD-immuun uit (+198 nt, in het laatste exon), wat de methode valideert. (2) Het construct uitgewerkt tot bestelniveau: WT en mutant, elk 5.084 nt, verschillend op precies één base; QC met Pangolin wees uit dat intron 23 volledig behouden moet blijven (de tweede naad is te groot om splice-neutraal te kunnen verifiëren). (3) Eerlijk: één spoor liep dood. Een bevriend biotech-lab bood eerder labtijd aan, maar is op DNA ingericht — de RT-PCR op mRNA is precies wat zij niet doen. Nuttig om te weten: de natuurlijke uitvoerder blijft een RNA-moleculair lab. De berekening + het construct →

Base-editing route voor mijn eigen variant doorgerekend — en leesbewezen

Naar aanleiding van de KCNQ4-doorbraak: past een adenine base editor op mijn c.2416+5G>A? Antwoord na eigen analyse op mijn WGS: ja, met een PAM-flexibele SpRY-ABE8e (standaard-Cas9 valt af), met een schoon bewerkingsvenster zonder bij-edits. In mijn eigen reads (~40x) is de editor-landingsplaats 100% intact — nul afwijkende reads op de kritieke posities. Omdat dit variant-correctie is (geen allel-uitschakeling) werkt het mechanisme-agnostisch: het is de enige route die niet afhangt van de uitkomst van de RNA-studie. Tweede spoor naast gene augmentation.

FDA CNPV public comment ingediend + Shu-mail: knoop doorgehakt

Public comment ingediend op het FDA-docket FDA-2026-N-2366 voor het Commissioner's National Priority Voucher-programma (het versnelde pad waaronder Otarmeni werd goedgekeurd), herkaderd op de selectiecriteria vanuit MYO6/DFNA22-perspectief — pure Founder Mode. Tegelijk besloten de conceptmail aan prof. Yilai Shu (Fudan) te versturen zonder langer op de Radboud-route te wachten: Shu is zelf kandidaat voor de functionele studie, dus een tweede spoor spreidt risico.

Stand van zaken — DPOAE-planning loopt, FDA-window sluit 29 juni, Kriek-opvolging 25 juni

Drie dingen lopen nu parallel. DPOAE-nulmeting: dr. Locher (KNO LUMC) belde op 1 juni — enthousiast, wil naast de meting ook meedenken over het traject; hij probeert de DPOAE + speech-in-noise nog vóór zijn vakantie (augustus) in te plannen, poli is vol. De objectieve haarcel-nulmeting staat dus op "wordt gepland". RNA-studie: de statusherinnering aan dr. Kriek (heranalyse AD-overerving + Radboud-doorverwijzing voor de minigene-/RNA-studie) is op 11 juni verstuurd; bij uitblijven van antwoord volgt rond 25 juni een tweede opvolging. FDA CNPV: de schriftelijke comment-window sluit 29 juni 23:59 ET — docket FDA-2026-N-2366 op regulations.gov. Het gaat om feedback op het ontwerp van het versnelde-goedkeuringsprogramma (welke prioriteiten, welke criteria), open voor iedereen incl. patiënten — een laagdrempelig moment om vanuit DFNA22 / zeldzaam erfelijk gehoorverlies te pleiten voor prioriteit voor cochleaire gentherapie.

Sensorion staakt OTOF-gentherapie SENS-501 — pivot naar GJB2 (SENS-601)

Direct gevolg van de Otarmeni-goedkeuring: nu er een goedgekeurde OTOF-gentherapie is die Regeneron in de VS gratis aanbiedt, noemt Sensorion de markt voor een tweede OTOF-product "vrijwel ontoegankelijk". Het bedrijf stopt daarom SENS-501 en verlegt de focus naar SENS-601, een AAV-gentherapie voor het veel vaker voorkomende GJB2/DFNB1A-gehoorverlies (het aandeel zakte ~25%). Voor mijn dossier een dubbel signaal: het cochleaire AAV-pad wérkt en wordt goedgekeurd, maar de commerciële ruimte voor een tweede speler op hetzelfde gen verdampt zodra de eerste er is — relevant voor hoe een toekomstig MYO6-traject gepositioneerd moet worden.

Spoor B: ER-100 — eerste mens gedoseerd met partiële herprogrammering

Life Biosciences meldt dat de eerste patiënt is gedoseerd in de fase-1 van ER-100 — gecontroleerde expressie van drie Yamanaka-factoren (OCT4, SOX2, KLF4, dus zónder c-MYC) om verouderde cellen epigenetisch te "resetten". Breed gezien als de eerste keer dat partiële epigenetische herprogrammering bij een mens is toegediend. Belangrijke nuance: de trial gaat over de oogzenuw (glaucoom / NAION), niet over gehoor — Life Bio noemt nergens een oor-toepassing. Voor Spoor B telt het als bewijs-van-principe dat OSK-herprogrammering de kliniek bereikt in neurosensorische cellen; de stap naar het binnenoor is mijn eigen extrapolatie, geen aankondiging. Safety-data van het eerste cohort wordt eind 2026 verwacht.

Stand van zaken — DPOAE-afspraak in de maak, FDA-comment-window open

Drie dingen lopen nu parallel. DPOAE-nulmeting: de KNO-poli van het LUMC heeft op de Zorgdomein-verwijzing gereageerd en gaat de meting zelf uitvoeren — er wordt een afspraak ingepland, bij voorkeur nog vóór de zomer. Dat tilt de haarcel-nulmeting van "verwijzing binnen" naar "wordt gepland". FDA CNPV: de public hearing over het Commissioner's National Priority Voucher-programma (het versnelde pad waaronder Otarmeni werd goedgekeurd) is 4 juni; de schriftelijke comment-window loopt tot 29 juni — een laagdrempelige kans om patiënt-input vanuit MYO6/DFNA22-perspectief in te dienen. RNA-studie: de Radboud-route hangt op een antwoord van dr. Kriek (bericht 5, 18 mei) — een korte statusherinnering staat klaar.

Gentherapie-veld: ASGCT 2026, eerste MYO6-review, Life Bio gefinancierd

Rustige maand qua wereld-nieuws, drie noemenswaardige punten. Op het ASGCT-congres (Boston, 11–15 mei) presenteerde Sensorion preklinische safety/biodistributie/efficacy van SENS-601 (GJB2/DFNB1A) — geen MYO6-specifieke trials. Verscheen: de eerste dedicated MYO6-review in jaren (Wu, Bian & Xu, J Int Adv Otology, apr 2026) — overzicht van DFNA22/DFNB37-pathogenese. En Life Biosciences sloot een $80M Series D (apr) die de ER-100-fase-1 (Spoor B, epigenetische herprogrammering) financiert t/m H2 2027.

Base-editing doorbraak voor dominant gehoorverlies (KCNQ4/DFNA2)

Een adenine base editor (ABE8e, dual-AAV) herstelde het gehoor in een DFNA2-muismodel: 21–29% correctie in het orgaan van Corti — de hoogste editing-efficiëntie ooit voor genetisch gehoorverlies — met functioneel herstel ≥32 weken (EMBO Mol Med). KCNQ4/DFNA2 lijkt sterk op mijn MYO6/DFNA22: autosomaal dominant, progressief, ski-slope. Sterkste dominante precedent tot nu toe, en de directe aanleiding voor mijn eigen ABE-analyse.

DPOAE-poli verwijzing binnen — eerste haarcel-nulmeting in zicht

Huisartsconsult opgeleverd: Zorgdomein-verwijsbrief voor DPOAE-meting + speech-in-noise in een UMC. Voorkeur LUMC (waar het dossier ligt sinds 2020); Radboudumc of UZA Antwerpen als alternatief. DPOAE meet de functie van de buitenste haarcellen — zonder die nulmeting kun je later geen effect meten van een eventuele therapie. Volgende stap: poli inplannen.

Vierde model-familie convergeert: AlphaGenome + Oka 2020 ontdekt

AlphaGenome (DeepMind, gratis non-commerciële research-API) toegepast op c.2416+5G>A: alle vier splice-relevante scorers (SPLICE_SITES, SPLICE_SITE_USAGE, SPLICE_JUNCTIONS, RNA_SEQ) wijzen dezelfde kant op. Onafhankelijke vierde model-familie naast SpliceAI, Pangolin en Carbon-3B. Tegelijk literatuur-vondst: Oka et al. 2020 (Genes, PMC7140843) rapporteerde de variant eerder in een Japans DFNA22-cohort (familie JHLB3986), eveneens als Likely Pathogenic — variant is dus niet "novel" in de zin van nooit gezien. Brengt ACMG PS4_Supporting in beeld.

Carbon-3B drievoudige convergentie + heel-MYO6-scan

Carbon-3B (HuggingFaceBio, 3B-parameter DNA-foundation-model, geheel andere familie dan splice-modellen) lokaal op M1 Pro / MPS gedraaid: P(G)=0,9974 vs P(A)=0,0012, score +6,76 nats — variant valt scherp onder de constraint-distributie. Onafhankelijke derde bevestiging naast SpliceAI 0,89 en Pangolin 0,79. Vervolgens batch-scan over alle 164 SNVs in MYO6: c.2416+5G>A is de enige die op drie assen tegelijk uitspringt (hoogste Carbon-constraint, afwezig in gnomAD, enige splice_region-annotatie). Geen verborgen alternatieve kandidaat. Aansluitend Bert Rutten-overleg over Shu-mail review en strategie.

In-silico-stack compleet (4 model-families) + GeneMatcher-match Barcelona

Carbon-3B (+6,76 nats, #1 over alle 164 MYO6-SNVs) en AlphaGenome (vier splice-scorers concordant) bevestigen SpliceAI 0,89 en Pangolin 0,79 — vier methodologisch onafhankelijke model-families wijzen op exon-skipping → haploinsufficiëntie. Tegelijk literatuur-vondst Oka et al. 2020 (variant eerder in Japans DFNA22-cohort, brengt ACMG PS4_Supporting in beeld). En de patiënt-gedreven GeneMatcher-submissie (#138174, 16 mei) leverde op 19 mei een match op met dr. Núria Martínez Gil (VHIR Barcelona) — twee siblings met compound-heterozygoot MYO6 en een breed syndromaal beeld. Pure Founder Mode: zelf de variant op de internationale radar gezet.

LUMC-doorverwijzing naar Radboud-onderzoeksgroep + Shu-conceptmail klaar

Vijf-bericht WhatsApp-uitwisseling met dr. Kriek (LUMC) sinds 14 mei levert twee parallelle sporen op: (a) heranalyse-aanvraag op AD-overerving via het Radboud-diagnostisch lab, (b) doorverwijzing naar de Radboud-onderzoeksgroep erfelijke slechthorendheid (Pennings / Kremer / Yntema) voor de minigene-/RNA-studie die het splice-effect functioneel kan bewijzen. Tegelijk Engelse conceptmail aan prof. Yilai Shu (Fudan) klaar — wacht op Bert-review en uitkomst Radboud-route voor verzending.

Gentherapie-ontwerpbrief opgesteld + RNA-studie-route uitgewerkt

Eerste target product profile voor c.2416+5G>A: payload, promoter, AAV-serotype, intracochleaire toediening, en een beslisboom die afhangt van de RNA-uitslag. GTEx-check: patiënt-RNA voor de splicing-studie haalbaar vanaf huidbiopt (fibroblasten ~15 TPM) of LCL (~19 TPM), niet vanaf vol bloed. Edward Dolk bood aan de Sanger-bevestiging 's avonds in zijn lab te doen.

Kandidaat-variant geïdentificeerd: MYO6 c.2416+5G>A

WGS-analyse op 79 gehoor-genen, daarna comprehensive tweede pass tegen DVD v9.2 (224 genen) — één kandidaat, geen alternatief. In-silico (SpliceAI 0,89, Pangolin 0,79) wijst op exon-skipping → frameshift → haploinsufficiëntie. Mail naar dr. Kriek (LUMC) verzonden voor Sanger-bevestiging en ClinVar-co-submission.

Otarmeni continued approval — endpoints gezet voor cochleaire AAV-trials

Otarmeni's continued approval is contingent op durability en speech-development metrics in de confirmatory CHORD-fase. Dat zet de standaard waar toekomstige cochleaire AAV-approvals (ook MYO6) aan moeten voldoen. Plus: FDA Public Meeting CNPV op 4 juni 2026 — kanaal voor patient-input.

FDA-approval Otarmeni — eerste cochleaire AAV-gentherapie ooit

Regeneron's lunsotogene parvec-cwha goedgekeurd voor biallelische OTOF-varianten. CHORD-trial: 80% ≤70 dB HL @ 24 wk, 42% normaal gehoor (≤25 dB) @ 48 wk. Regulatory anchor voor de MYO6-route: accelerated-approval-template, intracochleaire AAV bewezen veilig in mensen, Myo15-promoter blueprint.

Nature: AAV1-hOTOF n=42 — 90% gehoorherstel tot 2,5 jaar

Multicentre publicatie (Jiang/Cheng/Lv/Shu et al.). Eerste menselijke OTOF-gentherapie-paper met grote N en lange follow-up. Yilai Shu (Fudan, dé MYO6-gentherapie-lab) is co-lead — top contact-kandidaat na Sanger-bevestiging.

Terug naar het dossier

De conclusies uit dit logboek zijn daar thematisch verwerkt, in twee versies.